Print

Diagnostische taken

De verloskundig zorgverlener:

  • onderkent dat het inschatten van de mate van hyperbilirubinemie aan de hand van de geelheid van de huid, vooral bij kunstlicht en bij pasgeborenen met een donkere huidskleur, onbetrouwbaar is.
  • verricht een bilirubinebepaling bij twijfel over de mate van geel zien of wanneer de pasgeborene geler lijkt in relatie tot de leeftijd (ouder dan 24 uur).
  • gebruikt de bilirubinecurve als uitgangspunt voor consultatie van de kinderarts in de eerste levenweek van de pasgeborene die geel is, waarbij de fototherapiegrens de verwijsgrens is.
  • interpreteert de uitslagen van de bilirubinebepaling op basis van leeftijdspecifieke referentie-intervallen in uren en risicogroep (bilicurve) Kwaliteitsindicator.
  • gebruikt bij het toepassen van de bilicurve het totaal serumbilirubine en trekt de geconjugeerde fractie er niet van af.
  • verwijst de pasgeborene die binnen 24 uur na de geboorte zichtbaar geel is onmiddellijk na overleg door naar een kinderarts.
  • bepaalt aan de hand van de hoogte van het TSB, de leeftijd van de pasgeborene, de pathologie en de wijze waarop de hyperbilirubinemie zich ontwikkelt óf en wanneer het TSB herhaald moet worden.
  • dient de pasgeborene met een hyperbilirubinemie rond de wisseltransfusiegrens direct na overleg door te verwijzen naar een kinderarts.
  • verwijst de pasgeborene die geel is met tekenen van acute bilirubine encefalopathie (zoals hypertonie, overstrekken, retrocollis, opisthotonus en hoog huilen) onmiddellijk na overleg door naar de kinderarts zodat direct een wisseltransfusie verricht kan worden.
  • verwijst de pasgeborene met een verhoogde geconjugeerde bilirubine binnen 2 werkdagen door naar de kinderarts voor onderzoek naar de oorzaak.